In januari 2020 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onder druk van de Europese Commissie de manier van bestrijding van salmonella in bepaalde pluimveesectoren veranderd.  

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is het bevoegde orgaan dat namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in een specifiek geval besluiten neemt en daarin maatregelen kan opleggen.

Onder het oude beleid dat tot begin 2020 van kracht was, kreeg de pluimveehouder bij een positieve testuitslag van een zogenaamde routinebemonstering de mogelijkheid om nogmaals een verificatietest uit te voeren. Bij een negatieve uitkomst van de verificatietest bestond er geen reden voor de NVWA om maatregelen op te leggen en werd er geen besmetting met salmonella aangenomen.

De Europese Commissie kon zich niet verenigen met deze handelswijze en stelde zich op het standpunt dat deze gang van zaken in strijd is met de Europese Verordeningen. Meer in het bijzonder met de Europese verplichting om de dieren direct na de eerste positieve testuitslag af te voeren. De Europese Commissie vond de Nederlandse standaard verificatietest in strijd met Europese regelgeving.

Als gevolg hiervan is het beleid gewijzigd in die zin dat de verificatietest slechts in uitzonderlijke gevallen, waarin er gerede twijfel is aan de juistheid van de eerste testuitslag, mag worden uitgevoerd.

De vraag die vervolgens in de praktijk rijst, is de vraag wanneer er sprake is van een uitzonderlijk geval waarin gerede twijfel bestaat aan de juistheid van de eerste testuitslag. In dit blog bespreek ik de uitspraken die op dit moment voorhanden zijn waarin die vraag centraal stond en waarin de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven nader heeft ingevuld wanneer er sprake is van een 'bijzonder geval'.

Het juridisch kader

In de Europese verordeningen zijn maatregelen opgenomen die getroffen moeten worden bij een besmetting met Salmonella. In de verordeningen is ook bepaald wanneer een koppel (alle kippen in de dezelfde stal) als Salmonella-positief moet worden bestempeld. Dit is na een positieve testuitslag het geval.

Het wél uitvoeren van een verificatietest is op grond van de verordeningen in uitzonderlijke gevallen mogelijk. De verordeningen geven alleen niet aan wanneer er sprake is van een zo'n 'uitzonderlijk geval'.

Uitzonderingsgeval waarin uitvoeren verificatietest gerechtvaardigd is

Sinds de wijziging van het beleid gaat de NVWA, uit angst voor Europese sancties, zeer terughoudend om met het uitvoeren van verificatietesten. Feitelijk wil de NVWA dit helemaal niet meer. De vraag wanneer er sprake is van een uitzonderingsgeval waarin er reden bestaat om aan de juistheid van het positieve eerste testresultaat te twijfelen, is daarom het afgelopen half jaar een aantal keer voorgelegd aan de voorzieningenrechter van het College van beroep voor het Bedrijfsleven.

Geen sprake van een uitzonderingsgeval

In de uitspraak van 27 februari 2020 (ECLI:NL: CBB:2020:167, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20/218 (rechtspraak.nl))  heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de negatieve testresultaten van een herhaalde routinebemonstering door de pluimveehouder niet de betrouwbaarheid van de eerste positieve routinetest - dat aan de opgelegde maatregelen ten grondslag is gelegd - aantast. De voorzieningenrechter is van mening dat -  gelet op de systematiek van de Verordeningen en het Draaiboek van de NVWA- het (negatieve) resultaat van een nieuwe test er niet toe kan leiden dat er een verificatietest uitgevoerd moet worden.

De voorzieningenrechter oordeelt vervolgens dat er iets uitzonderlijks aan de hand moet zijn, voordat tot een verificatietest wordt besloten. De voorzieningenrechter geeft vervolgens een aantal voorbeelden van gevallen waarin er sprake kan zijn van een uitzonderlijk geval. Te denken valt aan onmiskenbare fouten die zijn gemaakt bij het nemen van het routinemonster op initiatief van de exploitant. Denk hierbij bijvoorbeeld aan duidelijke gevallen van contaminatie van het monster of verwisseling ervan.

In deze zaak kwam de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er geen sprake was van een uitzonderingsgeval. Het enkel overleggen van negatieve uitslagen van vervolgtesten leidt niet tot de conclusie dat er sprake is van een uitzonderingsgeval.

Zaken waarin wel een verificatietest uitgevoerd moest worden

In een drietal zaken waarin wij namens onze cliënten een voorlopige voorziening aanhangig hebben gemaakt heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er wél sprake is van een bijzondere omstandigheid!

Zaak  I

In de uitspraak van 8 juli 2021 ( ECLI:NL: CBB:2021:735, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21/628 (rechtspraak.nl) ) heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat Verordening (EU) nr. 517/2011 die specifiek van toepassing is op (opfok)legkoppels en in het geval het Draaiboek géén bepaling kent die het uitvoeren van een verificatietest bij (opfok)legkoppels slechts beperkt tot uitzonderingsgevallen. Verder heeft de Minister ter zitting ook niet kunnen motiveren waarom de werkwijze bij legkoppels gewijzigd moest worden. Ook de wettelijke basis voor de gewijzigde werkwijze kon niet aangetoond worden. De stelling van de NVWA namens de Minister dat er op grond van het gewijzigde beleid en het Europees recht geen verificatietest uitgevoerd kon worden, kon dan ook niet gevolgd worden. Om deze reden heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de NVWA in deze zaak wel een verificatietest moest uitvoeren. 

Zaak  II

Ook in een uitspraak van 24 september 2021, (ECLI:NL:CBB:2021:925, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21/1007, 21/1008 en 21/1009 (rechtspraak.nl) heeft de voorzieningenrechter  geoordeeld dat er sprake was van een uitzonderingsgeval waarin een verificatietest uitgevoerd diende te worden.

Het ging hier om de zoönotische monofasische typhimuium, dat zich zeer traag verspreid. Bovendien toonden de door de dierenarts afgenomen vervolgtesten geen besmetting met salmonella aan. Gelet op het feit dat dit type zich zeer traag verspreidt, verzoeksters negatieve testuitslagen van testen die zij na bekendmaking van het positieve testresultaat zelf hebben laten onderzoeken en het feit dat dit type salmonella heel weinig bij pluimvee voorkomt (en zeker niet in twee stallen tegelijkertijd), hebben ertoe geleid dat de voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat er sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het uitvoeren van een verificatietest gerechtvaardigd is.

Zaak III

Tot slot heeft de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven in een zeer recente uitspraak van 8 november 2021, ECLI:NL:CBB:2021:982, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21/1081 (rechtspraak.nl) de NVWA opgedragen om een verificatietest uit te voeren.

In deze zaak had de pluimveehouder in het kader van een routinebemonstering zelf monsters in zeven stallen op twee locaties afgenomen. De uitslag van het geaccrediteerde laboratorium toonde in alle stallen besmetting met salmonella enteriditis aan.

Vervolgens heeft de dierenarts nogmaals monsters afgenomen bij alle stallen. De uitkomst van dit onderzoek toonde enkel een besmetting in drie stallen behorende tot één locatie aan. Omdat de pluimveehouder eerst monsters op de besmette locatie had afgenomen, ontstond het sterke vermoeden dat er hoogstwaarschijnlijk tijdens de monsterafname een kruisbesmetting had plaatsgevonden. Ook een tweetal dierenartsen hebben bevestigd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er in zeven stallen, behorende bij twee verschillende bedrijven op verschillende locaties, tegelijkertijd een besmetting heeft plaatsgevonden. 

De NVWA stelde zich echter op het standpunt dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval en dat de NVWA hierom geen verificatietest kon uitvoeren.

De voorzieningenrechter oordeelt daarentegen dat de NVWA niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de omstandigheden, zoals door de pluimveehouder is aangevoerd en onderbouwd met stukken, niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een ''uitzonderlijk geval'' zoals bedoeld in de Verordening en in welk geval een bevestigingsonderzoek is aangewezen. Het gevolg hiervan is dat de voorzieningenrechter de belangen van de pluimveehouder bij een verificatietest zwaarder vindt wegen dan het belang van de NVWA bij naleving van de doelstellingen van de Unie en daarmee de verzekering van Europese financiering van het salmonella programma.

Lessen voor de praktijk

Het uitgangspunt van het gewijzigde beleid van de NVWA is dat er geen standaard verificatietest meer wordt uitgevoerd. Dit betekent dat de monsters bij een routinebemonstering zeer zorgvuldig en bij voorkeur door een deskundige afgenomen moeten worden om kruisbestemmingen zoveel mogelijk te voorkomen. De pluimveehouder heeft geen ''recht'' meer op een standaard verificatietest. De gevolgen van een vals-positieve uitslag zijn daarom enorm.

Slot

Het gewijzigde beleid van de NVWA heeft tot gevolg dat er bij een positief testresultaat van een routinebemonstering direct zeer vergaande maatregelen opgelegd worden. Twijfelt u aan de juistheid van een positieve testuitslag dat aan het besluit van de NVWA ten grondslag is gelegd en bent u van mening dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid maar is de NVWA desondanks niet bereid om een verificatietest uit te voeren? Neem dan gerust contact met ons op.

Gepubliceerd op 15 november 2021.

 

 

Vragen over dit artikel of dit onderwerp?
Gerelateerde artikelen
Deel deze pagina via